Dit boek toont een debuterend auteur met een eigen stem. De Amsterdamse sociaal-geograaf Cody Hochstenbach is boos en dat zullen we weten. Hij is boos op het systeem en op de woonpolitiek die ‘mensenlevens verwoest’. Hij kiest voor een interessante vorm die het midden houdt tussen analytisch activisme en wetenschappelijke essayistiek. Het is geschreven vanuit woede, maar wel het soort theoretische woede, dat goed onderbouwd en wel beargumenteerd is. Hij ontrafelt elf mythes over onder meer dakloosheid, woningbezit en beleggers, zoals de mythe ‘kopen is beter dan huren’. Ondanks dat Hochstenbach zich niet positioneert als socioloog, is dit boek gestut vanuit CW Mills’ sociologische verbeeldingskracht, door persoonlijke problemen te koppelen aan sociale issues en bevat autobiografische observaties waarbij de auteur zichzelf of zijn afkomst niet schuwt. Hij is nietsontziend, in de autobiografische autopsie van zijn eigen jeugd in Maastricht, bespreekt hij schuld, schaamte en dakloosheid van zijn vader, en breekt daarmee met de geijkte genres in non-fictie. Het leunt op het sociologische werk van Matthew Desmond, Edouard Louis en Didier Eribon en slaat daarmee een verfrissende toon aan. De jury trof hierin een neo-Marxistisch geëngageerd, maar toch innovatief en origineel boek. Het boek daagt uit, verzet kaders en schuwt niet om radicaal tegen het geijkte denken over wonen in te denken. Dat verdient navolging en lof.
Shortlist
Uitreiking
Juryrapport
Nacht van de Sociologie, 24/11/2023, Rotterdam
Paul De Beer – De mythe van de arbeidsmarkt
Dit boek is een ‘onberispelijk’ en indrukwekkend betoog dat heel helder de mythe van het dominante marktdenken fileert. De Amsterdamse hoogleraar Paul De Beer, toch een arbeid-sociologische autoriteit, laat heel overtuigend, en niet alleen met verbluffende essayistische argumenten maar ook met veel kwantitatieve gegevens, zien dat de metafoor van een markt helemaal geen recht doet aan hoe arbeid is vormgegeven. Zo is er zonder schaarste, of volledige informatie over aanbod en vraag helemaal geen markt. Zo toont De Beer bijvoorbeeld op fascinerende en originele wijze aan dat het gebruik van een andere metafoor (zoals het huwelijk) een betere omschrijving voor de relatie tussen werkgever en werknemer is.
Dit boek biedt een introductie tot begrippen die het afstoffen meer dan waard zijn: prijsmechanismen, beloningsverschillen en vraagcurves. Het is een lovenswaardig boek dat meer aandacht verdient, aangezien de Beer de arbeidsmarkt als mythe en metafoor doorprikt. Een verfrissend en handig boek voor eenieder die aanvoelt dat er meer is dan koopkrachtplaatjes, zzp constructies en arbeid als markt. Een boek dat de bakens van het denken durft te verleggen en dus een absolute aanrader.
Louise Elffers – Onderwijs maakt het verschil
De Amsterdamse lector Elffers brengt met dit boek enorm veel kennis van haar lectoraat en onderzoeksagenda samen. Op een klinkklare en overtuigende manier toont Elffers een analyse van het onderwijssysteem als ongelijkheidsmaker: het toont dat de sociale reproductietheorie van Pierre Bourdieu nog altijd zijn sporen nalaat en dat ons onderwijssysteem met bijvoorbeeld vroege selectie en een bijlesgeneratie, ervoor zorgt dat kinderen met hetzelfde IQ maar met ouders met meer cultureel kapitaal, zich beter door het onderwijssysteem weten te wringen dan andere kinderen.
Het boek gaat voorbij de makkelijke oneliners, en gaat paradoxale conclusies ook niet uit de weg. Zo stelt Elffers dat ons onderwijs ongelijkheid ‘produceert, legitimeert en reduceert’. In het licht van de documentaire Klassen spat de maatschappelijke urgentie ervan af en biedt het tien duidelijke actiepunten om iedere wethouder onderwijs morgen aan de slag te zetten en niet lijdzaam toe te kijken hoe ongelijkheden zich verder verdiepen. Dit boek is zeer informatief, kundig, goed geschreven en bevat een uitgebreide literatuurlijst om verder te lezen. Een must-read voor iedereen die iets wil weten over kansen, onderwijs en ongelijkheid.
Cody Hochstenbach – Uitgewoond
Dit boek toont een debuterend auteur met een eigen stem. De Amsterdamse sociaal-geograaf Cody Hochstenbach is boos en dat zullen we weten. Hij is boos op het systeem en op de woonpolitiek die ‘mensenlevens verwoest’. Hij kiest voor een interessante vorm die het midden houdt tussen analytisch activisme en wetenschappelijke essayistiek. Het is geschreven vanuit woede, maar wel het soort theoretische woede, dat goed onderbouwd en wel beargumenteerd is. Hij ontrafelt elf mythes over onder meer dakloosheid, woningbezit en beleggers, zoals de mythe ‘kopen is beter dan huren’.
Ondanks dat Hochstenbach zich niet positioneert als socioloog, is dit boek gestut vanuit CW Mills’ sociologische verbeeldingskracht, door persoonlijke problemen te koppelen aan sociale issues en bevat autobiografische observaties waarbij de auteur zichzelf of zijn afkomst niet schuwt. Hij is nietsontziend, in de autobiografische autopsie van zijn eigen jeugd in Maastricht, bespreekt hij schuld, schaamte en dakloosheid van zijn vader, en breekt daarmee met de geijkte genres in non-fictie. Het leunt op het sociologische werk van Matthew Desmond, Edouard Louis en Didier Eribon en slaat daarmee een verfrissende toon aan. De jury trof hierin een neo-Marxistisch geëngageerd, maar toch innovatief en origineel boek. Het boek daagt uit, verzet kaders en schuwt niet om radicaal tegen het geijkte denken over wonen in te denken. Dat verdient navolging en lof.
Menno Hurenkamp & Jan-Willem Duyvendak – De Macht der gewoonte
Het komt niet vaak voor dat vooraanstaande sociologen de handen ineenslaan en samen een boek schrijven, maar als dat gebeurt kan men beducht zijn voor een mooie bijdrage. En jaar geleden stonden ze hier nog op exact deze plek hun boek te presenteren en nu staan ze in de shortlist, zo snel kan het gaan. Zo ook dit essayistisch vormgegeven boek wat een messcherpe problematisering van een alledaags en oer-Nederlands concept in zich draagt, namelijk “het gewone”. Want doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg in dit land. Of zoals Wilders en Mark Rutte ooit foeterde naar elkaar: ‘doe zelf normaal’.
Het boek biedt een mooie historische analyse, originele en contra-intuïtieve kritiek op de abnormaliteit van het normale en de ongewoonheid van onze hang naar gewoon doen. Het is een prachtig sociologisch vertrekpunt en de auteurs slagen er overtuigend in om die analyse door te trekken naar allerlei domeinen. Het blinkt uit in een politiek, sociaal en culturele analyse van het normale en toont bijvoorbeeld dat maatwerk (ondanks dat dit in Den Haag wordt gezien als het antwoord om meer gelijkheid af te dwingen) paradoxaal genoeg vooral méér ongelijkheid oplevert en dat we, ondanks alle identiteitspolitieke verschillen, uiteindelijk steeds meer op elkaar gaan lijken. Dit is een geslaagd boek, dat de toets der publiekssociologie ruimschoots doorstaat en dat, tegen het licht van de verkiezingen deze week, alleen maar aan urgentie heeft gewonnen. Publiek toegankelijk, met een verfrissend en verrassend perspectief. En in lijn met dit boek zeg ik dan ook: een ongewoon en abnormale aanwinst voor onze publieke verbeelding.
Anja Meulenbelt – Alle moeders werken al
Wat is het toch mooi en goed dat mensen zoals Anja Meulenbelt, ‘politica, feministe, docent en activiste’ hun autoriteit weten in te zetten voor een mooi en toegankelijk boek. Anders dan sommige auteurs is Anja Meulenbelt een gevierd en zeer productief schrijfster van een oeuvre dat meerdere decennia beslaat en niet weg te denken is uit het Nederlandse intellectueel landschap en behept met sociologisch engagement.
Haar huidige boek is een prachtige verkenning van het probleem van werk en zorg. Of misschien juist een problematisering van het onderscheid tussen werk en zorg. Want is zorgen niet ook werken? En waarom moeten ‘vrouwen werken alsof ze geen kinderen hebben en hun kinderen verzorgen alsof ze geen werk hebben’? Dit boek weet op bijzonder toegankelijke wijze een politieke, sociale en culturele analyse te geven van het werk dat we vaak niet erkennen als werk: het moederschap, en daarmee een variëteit aan praktijken die gericht zijn op wat voor marxistische feministen ‘sociale reproductie’ heet. Omdat het vraagstuk van hoe we zorg voor medemensen – waaronder ook kleine medemensjes – vormgeven daarin centraal staat, biedt haar boek een rijkdom in termen van alternatieve perspectieven op een gezamenlijke toekomst.